Onder elk academisch ziekenhuis ligt een ondergronds meer. Het is koud, donker, onpeilbaar diep en gevuld met een vreemd ruikende vloeistof. Zo nu en dan, wanneer het tijd is voor anatomieles, moeten de geneeskundestudenten in een wiebelig houten bootje dat meer op. Ze zijn gewapend met een lange stok met een haak er aan, zoals de zwemleraar gebruikt wanneer zijn leerlingen hun hoofd niet boven water kunnen houden. Met die haak gaan de studenten dan op jacht naar de grote witte vissen van dat ondergrondse meer: mensen die bij leven besloten hun lichaam aan de wetenschap te doneren en nu - belly up - liggen te dobberen. Wanneer zo'n lichaam gesignaleerd wordt, slaat de dapperste van de studenten de haak erin. Ze halen de buit binnen en dan kan het dissecteren beginnen.
Zo stelde ik me ongeveer een snijzaalpracticum voor: koud, glibberig, luguber. Eigenlijk wist ik wel dat het nooit echt zo kon zijn, maar je gaat je toch al snel dingen in je hoofd halen bij het vooruitzicht geconfronteerd te worden met zoveel Dood Mens. Dood, dat was het inderdaad, vorige week donderdag. Of eerder levenloos, misschien. Dat blijft een beetje de vraag, hoe je tegen zoiets (iemand?) aan moet kijken.
De beste methode lijkt toch te zijn er helemaal niet over na te denken. Dus je pakt je scalpel stevig vast, zet de nodige huidsneden en begint vrolijk te prepareren. Over je smetvrees kom je wel snel heen, wanneer je eenmaal met je mouwen in het onderhuids vetweefsel hebt gehangen en wat flinke klodders richting je buurman hebt hebt gekatapulteerd.
Het menselijk lichaam is een mooi ding, zelfs als het dood is en al maanden in een bak (of een meer, zo je wilt) met formaline heeft rondgedreven. Er is een hoop te vinden, zelfs voor iemand die nog nauwelijks ervaring heeft met dit soort dingen. Je kan je verwonderen over hoe netjes alles georganiseerd is, over hoe fragiel sommige structuren zijn (zoals een zenuw, een adertje) of hoe stevig juist (zoals het bindweefselvlies rond een spier). Al doende vergeet je eigenlijk dat hetgeen waar je aan zit te prutsen niet altijd een studieobject geweest is. De formalinegeur merk je ook niet meer, noch het verstrijken van de tijd.
Zo'n eerste snijzaalpracticum is al met al een vreemde ervaring. Niet omdat het echt eng is of weerzinwekkend. Confronterend is het wel. Je leert er een hoop van, niet alleen op anatomisch gebied. Wat ook blijkt is dat veel mensen het moeilijk vinden om wat ze gezien hebben achteraf los te laten. "Het is niet dat ik het erg vind wat ik gedaan heb," zei iemand uit mijn studiegroepje, "het zijn gewoon die beelden die maar blijven terugkomen."
Zo ervoer ik het zelf eigenlijk ook. Steeds dezelfde beelden. En niet te vergeten: de geur van formaline en rubberhandschoenen.
HALLIEHALLO!
En welkom op mijn weblog.
Hier spui ik al zo'n anderhalf jaar mijn belevenissen, piekerijen, gedachtenspinsels en slecht onderbouwde meningen. Niets bijzonders dus, want de halve wereld doet dat tegenwoordig.
Voel je vrij om wat rond te kijken of een berichtje achter te laten.
Hier spui ik al zo'n anderhalf jaar mijn belevenissen, piekerijen, gedachtenspinsels en slecht onderbouwde meningen. Niets bijzonders dus, want de halve wereld doet dat tegenwoordig.
Voel je vrij om wat rond te kijken of een berichtje achter te laten.
donderdag 24 september 2009
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
2 opmerkingen:
Hmm, vreemd genoeg verwachtte ik na de eerste vijf regels iets over een eilandje met daarop een kom. In de kom zit een diploma en over vijf of zes jaar weet je genoeg om de kom te legen en ben je gediplomeerd arts.
Maar daarvoor zal ik mezelf dan waarschijnlijk moeten vergiftigen met allerlei nare medicijnen, waarna ik aangevallen zal worden door de preparaten waarop ik al die jaren heb geoefend, die ik dan helaas zal moeten cremeren om al die zwervende zielen eindelijk rust te geven. Uiteindelijk zal ik er dan achterkomen dat het diploma fake is, omdat Roelof of Ilse het echte exemplaar al een jaar eerder heeft weten te bemachtigen. ;-)
Een reactie posten