Onlangs liep Eveline weer te klagen dat ik niet genoeg blogde. Ik heb haar toen maar uitgedaagd zelf een berichtje te schrijven, een zogenaamde gastblog. Zie hier het resultaat.
Dis•so•nan•tie onwelluidendheid, disharmonie [de (zijn); zeg: -sie]
Cog•ni•tief de cognitie, de kennis betreffend; leer- [bn; -tieve]
Vanaf het moment dat ik psychologie ben gaan studeren, kreeg ik regelmatig te doen met de term ‘cognitieve dissonantie’. Zo heb je er nog nooit van gehoord en zo is het één van de meest normale woorden uit je vocabulaire en houdt het je regelmatig bezig.
De cognitieve dissonantietheorie is een theorie uit 1950 die stelt dat een mens pogingen doet tot het verlichten van ongemak, dat ontstaan is door het je bewust worden van een inconsistentie tussen twee of meer van de eigen gedachten, gevoelens of gedragingen.
Geen groot nieuws natuurlijk, maar wat de theorie naar mijn mening zo boeiend maakt, is dat het zo volledig onbewust verloopt. Zonder dat je er zelf controle over lijkt te hebben, verander je één van je cognities.
Ik zal even uitleg geven aan de hand van een voorbeeld van een slim politiek spelletje. Stel: je hebt twee rivaliserende politici. Ze kunnen elkaar niet uitstaan, maar ze worden geacht zich diplomatiek te gedragen voor de media. Als één van die politici, laten we zeggen: Geert Wilders, nu aan de ander, Jan Marijnissen, vraagt of hij bijvoorbeeld één of ander zeldzaam en belangrijk boek mag lenen (dit boek moet in deze hypothetische situatie grote persoonlijke waarde hebben voor Marijnissen), wordt Marijnissen uit diplomatieke overwegingen gedwongen dit te doen.
Gevolg is dat Marijnissen Wilders aardiger zal vinden, want iemand die jou absoluut niet ligt, leen je toch niet zoiets waardevols uit? Dus die Wilders zal zo gek nog wel niet zijn.
Et voilà: een voorbeeld van cognitieve dissonantie (in het voordeel van Geert Wilders).
Wat mij nou zo bezighoudt aan dit (naar mijn mening interessante) verschijnsel, is dat ik het steeds vaker bij mezelf zie. Ook al ben ik mij er van tevoren bewust van dat deze plaats zal gaan vinden, tóch kan ik het niet onderdrukken.
Wist ik het ene moment nog niet of de groep vrijwilligers van de zeilschool mij wel echt lag, vond ik het het volgende moment best wel een toffe groep.
De reden hiervoor was dat ik, na een soort ‘proefweekend’, van ze te horen kreeg dat ik van de zomer mee mocht als medewerker. En tja, waarom zou ik twee volle weken van de zomervakantie op een weiland in the middle of nowhere gaan zitten met een groep mensen die ik eigenlijk helemaal niet zo tof vind? Conclusie: ik zal ze dus wel aardig vinden!
Al zag ik van tevoren aankomen dat hun oordeel mijn mening over de groep zou veranderen, tóch kon ik het niet onderdrukken.
En de mens zou het ‘opperwezen’ op deze aardbol zijn, welke als geen ander de wereld en zichzelf onder controle heeft...
Dis•so•nan•tie onwelluidendheid, disharmonie [de (zijn); zeg: -sie]
Cog•ni•tief de cognitie, de kennis betreffend; leer- [bn; -tieve]
Vanaf het moment dat ik psychologie ben gaan studeren, kreeg ik regelmatig te doen met de term ‘cognitieve dissonantie’. Zo heb je er nog nooit van gehoord en zo is het één van de meest normale woorden uit je vocabulaire en houdt het je regelmatig bezig.
De cognitieve dissonantietheorie is een theorie uit 1950 die stelt dat een mens pogingen doet tot het verlichten van ongemak, dat ontstaan is door het je bewust worden van een inconsistentie tussen twee of meer van de eigen gedachten, gevoelens of gedragingen.
Geen groot nieuws natuurlijk, maar wat de theorie naar mijn mening zo boeiend maakt, is dat het zo volledig onbewust verloopt. Zonder dat je er zelf controle over lijkt te hebben, verander je één van je cognities.
Ik zal even uitleg geven aan de hand van een voorbeeld van een slim politiek spelletje. Stel: je hebt twee rivaliserende politici. Ze kunnen elkaar niet uitstaan, maar ze worden geacht zich diplomatiek te gedragen voor de media. Als één van die politici, laten we zeggen: Geert Wilders, nu aan de ander, Jan Marijnissen, vraagt of hij bijvoorbeeld één of ander zeldzaam en belangrijk boek mag lenen (dit boek moet in deze hypothetische situatie grote persoonlijke waarde hebben voor Marijnissen), wordt Marijnissen uit diplomatieke overwegingen gedwongen dit te doen.
Gevolg is dat Marijnissen Wilders aardiger zal vinden, want iemand die jou absoluut niet ligt, leen je toch niet zoiets waardevols uit? Dus die Wilders zal zo gek nog wel niet zijn.
Et voilà: een voorbeeld van cognitieve dissonantie (in het voordeel van Geert Wilders).
Wat mij nou zo bezighoudt aan dit (naar mijn mening interessante) verschijnsel, is dat ik het steeds vaker bij mezelf zie. Ook al ben ik mij er van tevoren bewust van dat deze plaats zal gaan vinden, tóch kan ik het niet onderdrukken.
Wist ik het ene moment nog niet of de groep vrijwilligers van de zeilschool mij wel echt lag, vond ik het het volgende moment best wel een toffe groep.
De reden hiervoor was dat ik, na een soort ‘proefweekend’, van ze te horen kreeg dat ik van de zomer mee mocht als medewerker. En tja, waarom zou ik twee volle weken van de zomervakantie op een weiland in the middle of nowhere gaan zitten met een groep mensen die ik eigenlijk helemaal niet zo tof vind? Conclusie: ik zal ze dus wel aardig vinden!
Al zag ik van tevoren aankomen dat hun oordeel mijn mening over de groep zou veranderen, tóch kon ik het niet onderdrukken.
En de mens zou het ‘opperwezen’ op deze aardbol zijn, welke als geen ander de wereld en zichzelf onder controle heeft...
Door: Eveline Luttikhuis
Mocht iemand anders zich ook aan een gastblog willen wagen, laat het vooral horen.